Les van HES #5

DE ADEMAUTOMAAT

aanvullingen en correcties op de geschiedschrijving

Als er één uitvinding is waarvan we de betekenis moeilijk kunnen overschatten is dat wel die van het apparaat waarmee we onderwater kunnen ademen. Het heeft de mensheid toegang verschaft tot die 70% van de wereldbol, waar we vroeger niet meer dan het grillig bewegende oppervlak van konden zien. Jawel, de ademautomaat, universeel bekend als SCUBA van “Self Contained Underwater Breathing Apparatus”. Eigenlijk is het vreemd dat we daar een Engelse acronym voor gebruiken, terwijl vrijwel alle pioniers uit Frankrijk kwamen. Manuel Théodore Guillaumet, Benoît Rouquayrol en Auguste de Denayrouze, Maurice Fernez, Yves Le Prieur, Georges Hérail en Georges Commeinhes; een hele waslijst van welluidende en onuitspreekbare namen. En daar is geen woord Engels bij. Maar helaas, pindakaas, “Scaphandre Autonome” bekt nu eenmaal niet zo vlot.

“Succes heeft vele vaderen” zegt het spreekwoord en in dit geval is dat helemaal waar.

Oh-ja, ik zou ze bijna nog vergeten: Emile Gagnan en Jaques Yves Cousteau …

Even chronologisch  

In 1838 ontdekte docteur en médicine Guillaumet, een arts, hoe hij gas dat onder hoge druk was opgeslagen naar een lagere druk kon brengen om het vervolgens gecontroleerd te doceren. Eigenlijk was dat een heel eenvoudig apparaat: een doos, afgesloten door een membraan dat een klepje opende als de druk er onder zakte. Dan stroomde er gas de doos in waardoor het membraan terug werd geduwd en het klepje weer sloot. Het gasreduceer was geboren.

In 1860 ontwikkelde mijnbouwingenieur Rouquayrol daar een ademapparaat voor de mijnbouw uit. In de gangen, diep onder de grond werden kanaries ingezet als bewakers van de atmosfeer. Als er ook maar iets van explosief of giftig gas vrijkwam vielen ze om en dat was voor de kompels een signaal om zo’n apparaat te pakken en haastig te vertrekken.

Druk vertaalt zich in (kilo)grammen per vierkante centimeter en door de grote afmetingen van het membraan werd de klep al bij relatief geringe onderdruk geactiveerd. Dat was maar goed ook, want in het begin moest de gebruiker toch behoorlijk wat inspanning leveren om zijn longen door de nauwe ademslang vol te zuigen.

Samen met Luitenant ter Zee Denayrouze maakte Rouquayrol zijn apparaat vier jaar later ook geschikt voor gebruik onderwater en daarom geldt 1864 als het jaar dat de doorslaggevende stap in de richting van zelfstandig duiken werd gezet.

Wat echter nog ontbrak waren handzame persluchtflessen die een hoge werkdruk met voldoende volume combineerden om er een tijdje mee onder te kunnen. Daarom kreeg de duiker in de praktijk zijn lucht nog steeds vanaf de oppervlakte, maar nu had hij wel een klein buffervoorraadje op zijn rug, genoeg voor een paar minuten adem voor het geval dat de toevoer stopte of hij de afkoppelbare(!) slang losmaakte. De duikbril was trouwens ook nog niet uitgevonden. In plaats daarvan had de duiker een roodkoperen toeter met een of meer kijkglaasjes op zijn gezicht, die vanwege de treffende gelijkenis de “pig snout” (varkenskop) werd genoemd.

Scaphandre Denayrouze-Rouquayrol

We zijn gewend dat de geschiedschrijving hier even een sprongetje maakt naar de nadagen van de tweede wereldoorlog en Cousteau, die man met het grappige rode petje, die uiteindelijk alles zou hebben bedacht. Maar dat is veel te kort door de bocht.

En ook niet helemaal waar.

 We schrijven 6 augustus 1926 als in het Piscine de Tourelles een demonstratie plaatsvindt van een apparaat dat duikers onafhankelijk maakt van oppervlaktelucht.

Fernez, een industrieel, had in het begin van de twintigste eeuw een eenvoudig en licht apparaat ontworpen dat met een continue aanvoer vanaf de oppervlakte werkte. De duiker ademde door een mondstuk en had een neusklem om te klaren. Zijn bewegingsvrijheid werd bepaald door de lengte van de slang maar zijn onderwatertijd werd alleen beperkt door het uithoudingsvermogen van de twee mannen die een luchtpomp met pure spierkracht gaande hielden.

Het was compact, licht, verbazend simpel, niet al te duur en het werd rond de hele Middellandse Zee gebruikt door spons- en koraalduikers.

Commandant Yves Le Prieur was officier bij de Franse marine en had al meer dan een patent op zijn naam staan, waaronder een voor raketbewapening voor vliegtuigen en een mechanische richtcomputer voor land-, zee- en luchtdoelen, toen hij zich over het ademapparaat van Fernez boog. Hij was verrast door de eenvoud en besloot ter plekke om het verder uit te werken voor onderwater gebruik.

Het resultaat was buitengewoon primitief: Le Prieur koppelde het Fernez-mondstuk aan een persluchtflesje van 3 liter @ 150 Bar en dat was het dan. De luchttoevoer van dit “appareil Fernez-LePrieur” werd overigens nog met de hand bediend. De duiker had een reduceer met twee manometers om mee te werken: de een om de flesdruk in de gaten te houden en de andere om de continue luchtstroom op de omgevingsdruk af te stemmen. Het ontwerp was zelfs officieel gepatenteerd onder nummer 633421.

Okay, veel bodemtijd zat er dus niet in, maar het was wel het eerste echt autonome duikapparaat en daarom geldt Le Prieur officieel als de uitvinder van “SCUBA-duiken”.

Commandant Yves Le Prieur met zijn eerste ontwerp

Niet dat Le Prieur nu op zijn lauweren ging rusten. Niets voor hem. Na deze eerste poging volgde een hele reeks meer of minder geslaagde ontwerpen, waarbij hij telkens voortbouwde op zijn eerdere werk.

Een jaar na zijn demonstratie werden deze twee Amerikaanse (Marine?) duikers met duikapparaten van Le Prieur gefotografeerd in datzelfde Parijse zwembad. Er wordt echter niet bij vermeld of dit open dubbelslangs systemen of rebreathers waren. De techniek van kringloopsystemen was in die tijd immers ook beschikbaar en werd veelvuldig in vluchtapparaten voor de mijnbouw gebruikt.

Eigenlijk is het vreemd dat deze buitengewoon productieve uitvinder door de geschiedenis vergeten lijkt te zijn, toch is er een ontwerp dat hier zeker niet onbesproken mag blijven.

Amerikaanse duikers testen een ontwerp van Le Prieur in het zwembad

Le Prieur, patent 922872

Jawel, een vage tekening, met héél veel minieme nummertjes en cijfertjes die allemaal verwijzen naar belangrijke punten in de beschrijving. Maar helaas, die ontbreekt.

En al die cijfertjes zijn ook al niet goed leesbaar, dus laten we ons toch maar op de tekening concentreren.

We zien een volgelaatsmasker (Fig.1.), met de aansluiting van de luchttoevoer bovenop. De slang leidt naar een eerste trap met een manometer, die waarschijnlijk dient om de flesdruk te bewaken. De kleine persluchtfles wordt op de borst gedragen.

De dwarsdoorsnede van het masker (Fig.2.) toont de scherpe vouwen van een harmonica die het volume variabel maken, een kantelklepje met een veer in de wartelende (?) aansluiting van de slang en een vinger die het frontglas met de steel van dat klepje verbindt. Onder bij de kin zit een stelschroef.

Het idee is even simpel als geniaal:

Als de duiker inademt, wordt het frontglas van het masker naar binnen gezogen,

de vinger die daaraan vast zit drukt de steel van de klep naar achteren en de klep kantelt,

de lucht wordt langs het frontglas naar binnen geblazen en spoelt er meteen alle condens van af.

Als de duiker vervolgens weer uitademt kan het frontglas niet verder naar voren dan de stelschroef aan de onderkant toelaat.

De uitgeademde lucht ontsnapt via de uitlaat, een z.g. “eendensnavel” die boven op het masker, naast de slangaansluiting is geplaatst.

2e schematische tekening met nummertjes zonder bijschrift

Door het grote oppervlak van het frontglas, dat fungeert als het membraan van een gewone automaat, is er maar weinig zuigkracht nodig om het naar binnen te trekken, het klepje te laten kantelen en de luchtstroom op gang te brengen. De ademweerstand zal dus erg laag zijn. Bovendien heb je een mooi ruim zichtveld en nooit last van condens. En als je kunt klaren zonder in je neus te knijpen (met de methodes van BTV, Toynbee, Frenzel, Edmonds, of Lowry) duik je ook nog zonder die vervelende neusklem, die ze hier in de tekening hierboven gemakshalve zijn vergeten.

Helaas, het was allemaal toch te mooi om waar te zijn. Er waren toch teveel kleine praktische probleempjes, zoals onmiddellijke free flow als je tegen de stroom in zwom. Daarom komt altijd de versie die aan dit ambitieuze ontwerp vooraf ging in beeld als je Le Pieur googlet: een volgelaatsmasker maar dan met een hand-geregelde continue luchttoevoer aan de zijkant.

Maar werd hier dan serieus mee gedoken? Jazeker, tot medio 1943 was de z..g. “Scaphandre Le Prieur” in Frankrijk “het duikapparaat van dienst” maar daarna werd het snel verdrongen door de eerste automaten van Cousteau-Gagnan.

Race naar de diepte

Nadat Le Prieur de weg had gewezen werd het dringen aan het uitvindersfront. Het idee dat het toch wel erg fijn moest zijn om zonder al te veel moeite onderwater vrij rond te kunnen dolen begon nu echt te leven en overal stonden de inventievelingen op. De belangrijkste namen zijn die van René Commeinhes en zijn zoon Georges, Georges Hérail en natuurlijk Cousteau en Gagnan.

René Commeinhes had in 1935 patent gekregen voor een adembeschermingsapparaat dat bestond uit een dubbelset. In een “doos” tussen beide flessen zat een balg waar de duiker via een harmonicaslang uit ademde. Die balg was door een stang verbonden met een afsluiter die geopend en gesloten werd door de volumewisselingen van die balg. De “RC 35”, was weliswaar gebouwd voor de Brandweer, maar toch, dit was wél het eerste vraaggestuurde ademapparaat dat echt werkte en dat nog heel lang in de praktijk is toegepast.

de RC35 van René Commeinhes, het eerste vraaggestuurde ademapparaat

Zijn zoon Georges bouwde hier op voort en paste het apparaat aan voor gebruik onderwater. Hij noemde zijn creatie die in 1937 door de Franse Marine werd goedgekeurd en in gebruik genomen “GC 35 Amphibie”.

Aan het begin van de tweede Wereldoorlog vocht hij als tankcommandant onder een zekere Col. Charles de Gaulle. Frankrijk verloor en hij werd gedemobiliseerd, waarna hij zich op de verdere ontwikkeling van zijn duikapparaat stortte. In 1942 kwam hij met een geheel nieuw ontwerp dat onder de naam GC42 werd gepatenteerd.

Marseille 30 juli 1943:

Georges Commeinhes maakt voor een commissie van de Marine Nationale en de Kriegsmarine (!) een duik van 18 minuten naar 53 meter: een wereldrecord. 

Dat was tegen het zere been van een zekere Jacques Cousteau die samen met zijn schoonvader, directeur van gas- en technologiereus Air Liquide, bezig was om onder de naam La Spirotechnique een handel in duikspullen op te zetten. Hij vroeg Emile Gagnan die voor zijn schoonvader werkte, om een gasreduceer voor auto’s om te bouwen tot ademautomaat. Vervolgens dook Frédèric Dumas daarmee in october 1943 naar 62 meter en vestigde daarmee een nieuw record. (Hoera!)

What’s in a name?

George Commeinhes deed niet mee aan de wedstrijd wie het diepste kon. Hij keek liever kritisch naar de techniek en hoe hij die verbeteren kon. Met wat kleine aanpassingen maakte hij zijn GC42 geschikt als ontsnappingsapparaat voor onderzeeboten, als “Parachute Sousmarin”. En in februari 1944 patenteerde hij de GC44, een gebalanceerde automaat waarvan de werking geheel onafhankelijk van de flesdruk was. Dit was ruim een jaar voordat de onderneming van Cousteau c.s. zelfs maar met de productie van hun eigen automaat begonnen was.

En intussen werkte hij ook aan nog een rebreather …

Het had dus allemaal heel anders kunnen lopen met de ontwikkeling van de automaat.

Zomer 1944: De geallieerden zijn geland in Normandië, Parijs is inmiddels bevrijd. Georges Commeinhes meldt zich terug bij het leger van Leclerc en onderscheidt zich meer dan eens als tankcommandant.

Op 23 november 1944 sneuvelt hij echter bij de slag om Strassbourgh.

In 1946 richtte de Marine National een speciale onderzoeksafdeling op de: Groupe d’ Études et Recherches Sous Marins (GERS). Op 20 juni 1947 deden die een vergelijkend onderzoek naar autonome duikapparatuur. In het eindrapport dat door de commandant zelf was geredigeerd werd de CG45 van Cousteau-Gagnan niet geheel onverwacht verkozen boven de GC42, van Georges Commeinhes.

De firma Commeinhes bracht datzelfde jaar een nieuw model uit, de GC47; een innovatief ontwerp dat door veel Franse overheidsdiensten in gebruik werd genomen. Maar niet door de Marine.

Afvalrace

Er was nóg een uitvinder die hier zeker vermelding verdient, jawel, alweer een Fransman.

Georges Hérail was geschoold in mechanische technologie, elektrotechniek en vliegtuigbouw. In 1946 begon hij als industrieel ontwerper bij Aviation Sud, waar hij werkte aan de Caravelle, een zeer geavanceerd verkeersvliegtuig voor middellange afstand. Hij was 21 jaar, gek van duiken en al snel lid van de Club Sub-Aquatique Toulousain.

Maar met het groeien van zijn duikervaring en kennis, werd hij kritischer. In de vliegtuigbouw was hij gewend aan een betere afwerking, meer precisie en meer ingebouwde veiligheid, dan hij in de apparatuur van zijn tijd aantrof. Het was dan ook een kwestie van tijd voor hij in januari 1953 patent aanvroeg op het ontwerp van zijn eigen “scaphandre amphibie autonome”: de Poumondeau.

Dat zag er wel even anders uit!

De set was opgebouwd uit 1, 2 of 3 flessen van 6 of 7 liter met een werkdruk van ±165 Bar, naar keuze van een lichtgewicht legering of chroomnikkel staal.

De automaat was in een stevige behuizing op een van de flessen geplaatst, maar de kranen zaten onderop zodat de duiker er zelf gemakkelijk bij kon. In een latere experimentele versie werd de automaat op de borst gedragen.

Poumondeau, de fraaie set van Georges Hérail

Die automaat zelf was al even revolutionair. Op de patenttekening zien we aan beide zijden van het huis een membraan, elk met een eigen hefboom om de hogedrukklep te lichten. De klep zelf is in deze tekening wat vaag gehouden, het gaat hier kennelijk om de dubbele uitvoering.

Het is onduidelijk welk probleem Hérail met deze vreemde constructie dacht op te lossen, onderwater werkte het wel goed. Zijn apparaat was echter nog niet op de markt of hij had al een proces van Cousteau zelf aan zijn broek: plagiaat, schending van patenten en zo. Twee slangen aan een ronde doos om adem te halen; op het eerste gezicht leek dat inderdaad verdacht veel op de duik- apparaten van La Spirotechnique. Maar het binnenwerk was zó totaal verschillend dat de rechter alle claims resoluut van tafel veegde en dat was het einde van dit verhaal.

We zien de wens om het helemaal anders en beter te doen terug in een nieuw ontwerp van Hérail uit 1958: de Poumondeau Ventral. Dat was een kleiner apparaat dat op de borst gedragen werd. De foto toont de achterkant en die geeft weinig aanknopingspunten over de werking. Daar gaan we hier geen hoofdstuk aan wijden, maar onthoud: niet alles wat nieuw en anders is, is ook beter. 

Poumondeau Ventral

Ook hier heeft hij het mechanisme dat de druk regelt, de automaat, zo dicht mogelijk bij de longen met de eendensnavel er tussen om de weerstand bij in- en uitademen zo laag mogelijk te houden. Een zeer lofwaardig streven, maar omdat het apparaat maar één slang voor in- en uitademen had en dus veel dode ruimte, moest je er maar liever geen extreme duiken mee maken. De Marine vond dan ook dat het apparaat niet dieper dan 25 meter gebruikt zou moeten worden. Maar Okay, hoe vaak kom je daar nu eigenlijk?

De Poumondeau Ventral werd dan ook voornamelijk recreatief gebruikt, maar was door zijn compacte bouw ook ideaal als de ruimte beperkt was.

Op 5 februari 1959 maakt George Hérail een duik om de voet van de dam van de waterkrachtcentrale van St. Lizier te inspecteren. Hij doet dat met een Poumondeau Ventral. Uiteraard heeft hij een veiligheidslijn om zijn middel, maar hij wordt door een onderstroom een gat in gezogen en het oppervlakteteam slaagt er niet in om hem daaruit te trekken en uiteindelijk breekt de lijn. Hoewel er nog dagen lang naar hem is gezocht, wordt hij nooit meer gevonden.

En toen was alleen Jacques Cousteau nog over.

Zonder al die inventieve concurrenten en gesteund door het machtige Air Liquide en de Marine Nationale kon hij min of meer bepalen hoe de wereld van het duiken er uit ging zien. Met zijn films werd hij de super-

ster van de onderwaterwereld en een hele generatie leerde duiken met zijn creatie: de klassieke tweeslangs automaat “Mistral”, die hij zelf tot zijn dood zou gebruiken. En ja, hij droeg die zelfs op zijn borst, zo dicht mogenlijk bij zijn longen, precies zoals Hérail al had gepropageerd.

De rest is historie. Maar toch blijft er een vraag kriebelen: Wanneer heb jij voor het laatst met zo’n automaat gedoken? De waarheid is dat de meeste duikers nog nooit zo’n ding gezien hebben, laat staan dat ze ermee onderwater zijn geweest.

Nee, wij duiken al bijna 60 jaar met iets heel anders en daarom wordt het hoog tijd om de vergeten uitvinder van de-ademautomaat-zoals-we-die-kennen aan de vergetelheid te ontrukken.

Hoezo Cousteau?

Toen de productie van de CG45 eenmaal was opgestart kon het bij La Spirotechnique niet meer stuk. Geen wonder: ze hadden immers het patent op een apparaat dat iedereen wilde hebben en ze konden de vraag in Europa nauwelijks aan. Daarom hadden ze in Amerika een vestiging onder de naam US Divers opgezet om die markt te bedienen. De CG45 en later de vereenvoudigde Mistral heetten daar “AquaLung” en dat was een tijd lang zelfs het synoniem voor autonome duikapparaten.

Maar ja, de wereld is nu eenmaal groter dan Europa en de USA en er waren nog veel meer plaatsen waar ze om zo’n duikapparaat zaten te springen. La Spiro had weliswaar ook aan Siebe Gorman Ltd een licentie verleend om hun patenten te gebruiken maar samen konden ze de vraag absoluut niet aan. Dus moest de rest van de wereld maar wachten tot de zelfverklaarde uitvinders van het duiken ook eens hun kant op keken. En zo viel ook het verre Australië buiten de boot.

Ted Eldred, een van de Aussies op de wachtlijst, kon niet zoveel geduld opbrengen en besloot zelf maar zo’n ding te maken.

Al in 1946 was hij begonnen aan het ontwerp van een O2-rebreather die de duiker tegen acute vergiftiging beschermde door een slim dieptebegrenzingssysteem dat de zuurstof-toevoer afsloot zodra de duiker dieper ging dan 6 meter. Dat was zeker geen slecht idee, maar bij een demonstratieduik ging het bijna gruwelijk mis, omdat de niet onervaren duiker toch een elementaire bedieningsfout had gemaakt.

De rebreather van Eldred: doodlopende weg.

Eldred realiseerde zich dat kringloopapparaten voor sportduikers veel te ingewikkeld in gebruik zijn en de marge om de onvermijdelijke fouten veilig op te vangen veel te klein was. Als je al aan ademkalk en zuurstof kon komen. Daarom stapte hij resoluut af van de verdere ontwikkeling van zijn rebreathers en begon te werken aan een open circuit perslucht apparaat.

Melbourne 1952. Natuurlijk kon Ted Eldred de techniek van La Spiro/US Divers niet zomaar kopiëren. Hij moest helemaal van vooraf aan beginnen en zelf iets heel nieuws bedenken. Dat was makkelijker gezegd dan gedaan.

Een ademautomaat is een continu variabel gasreduceer en het principe is eigenlijk verbazend eenvoudig: een luchtkamer, afgesloten door een membraan, dat belast wordt door een veer, een hefboom en een klep waar net zo lang gas uit stroomt tot er boven en onder het membraan een evenwicht is bereikt en de klep weer sluit. Dat had dokter Guillaumet al zo’n honderd jaar geleden bedacht.

Dat was het probleem dus niet: het ging om de manier waarop je het toepaste en Eldred zag al gauw dat dat op meer dan een manier kon.

Kijk, de moderne ademautomaat. Helemaal zelf bedacht.

 

Hij begon te experimenteren met een compact reduceer van een lasapparaat dat hij niet op de kraan of de borst van de duiker plaatste maar direct in zijn mond.

Dat leverde het mondstuk op dat we kennen als de tweede trap, maar zonder een eerste trap werkte dat niet goed. De hogedrukslang was te stijf en de lucht die in één klap van flesdruk naar omgevingsdruk ging kwam te hard binnen en was te koud. Bovendien werd de werking snel minder als de flesdruk terugliep.

Die probleempjes waren echter snel opgelost met een tweede reduceer dat hij direct op de kraan had geschroefd. De flesdruk werd nu in twee trappen gereduceerd naar de omgevingsdruk en dat bleek heel erg goed te werken. In tegenstelling tot de oude automaten met hun volumineuze geribbelde slangen had dit mondstuk nauwelijks dode ruimte. Zo ontstond een ontwerp dat van geen kant leek op enig bekend duikapparaat, maar dat ze allemaal in no time zou verdringen.

 

tweede trap Ted Eldreds Porpoise

Er waren eigenlijk maar een paar dingen die in de loop der tijd verbeterd of veranderd zouden worden:

  • De klep in de tweede trap opende tegen de stroom in, zodat die nooit als overdruk-veiligheid bij een falende eerste trap kon fungeren. Bij alle moderne automaten werkt dat andersom.
  • De automaat had geen loosknop en de praktijk zou leren dat die onmisbaar is.
  • De wartelende aansluiting van de middendrukslang zit onderop het huis. Dat was eigenlijk best een goede positie en het was zeker handig als je lucht wilde delen.
  • De eerste trap had een ingebouwde reserve.

Eldred’s bedrijf dat zijn apparaten produceerde heette The Breathing Appliance Company Pty. Ltd. Het was maar een kleine fabriek en er was geen geld en geen tijd om internationale patenten aan te vragen. En waarom zouden ze? De zaak liep goed en in Australië had Eldred geen concurrentie. En het duurde niet lang voor de Royal Australian Navy op de stoep stond met een stevige order. Zo werd de RAN de eerste marine ter wereld die met dit nieuwe concept doken.

Eldred verkocht zijn materiaal onder de merknaam Porpoise, naar het luchtademende zeezoogdier dat wij kennen als Bruinvis.

Duikmateriaal was in die tijd heel schaars en daarom verkocht hij veel complete sets, op basis van enkele en dubbele flessen met de kranen aan de onderkant, veilig onder handbereik: Porpoise CA1 (Compressed Air, 1 Tank) en Porpoise CA2 voor een dubbelset. Maar hij verkocht ook veel sets met een aansluiting voor oppervlaktelucht aan beroepsduikers die ze voor het minder zware werk gebruikten. Dit luidde het einde van de koperen helm in.

In 1954 bracht de Breathing Appliances Company een nieuw model uit: de Porpoise Universal die 300 liter per minuut kon leveren en met een gebalanceerde membraangestuurde eerste trap was uitgerust. En daarnaast kwam nu ook een goedkoper en vereenvoudigd model, de Porpoise Sportsman.

Arthur C Clarke was een beroemd schrijver, die een avontuurlijk leven leidde. We kennen hem van zijn Science Fiction epos 2001 A Space Odysee dat door Stanley Kubrick zo meesterlijk verfilmd werd.

Al in 1955 had hij The Coast of Coral gepubliceerd, een boek over zijn duiken op het Great Barrier Reef waarin hij in alle toonaarden de lof van Ted Eldred’s Porpoises zong.

Hij was naar Australië gekomen, gewapend met wel twee Mistrals van La Spirotechnique, maar had die niet meer aangeraakt nadat hij kennis had gemaakt met de sets van Eldred. Die krijgen dan ook een hoofdrol in de duiken die hij in zijn boek beschrijft.

De schrijver op de foto met zijn “Porpoise unit”, die hij ook zo in de tekst vermeldt.

Voor velen op het Noordelijk halfrond is Australië wellicht een uithoek waar je niet al te veel aandacht aan hoeft te besteden. Daarom duurde het nog geruime tijd voor het tot de wereld doordrong dat daar een stille revolutie was gepasseerd en dat ze er al lang met heel andere en veel betere apparatuur doken.

Het zal pas eind 1959, begin 1960 zijn geweest dat de bom eindelijk viel, toen iemand La Spirotechnique en Air Liquide opmerkzaam maakte op het bestaan van de Porpoise. Dat nieuws moet keihard aangekomen zijn, want meteen vertrok een kleine delegatie spoorslags naar Australië met een zakelijk voorstel waar Ted Eldred geen nee tegen kon zeggen: “Je verkoopt de tent aan ons, anders dumpen we de markt hier vol met ons eigen duikmateriaal en dan kun je het verder wel schudden”.

Neen, het was niet erg subtiel, maar reuze effectief. En helaas echt gebeurd.

Het resultaat was dat The Breathing Appliances Company de productie van hun mooie uitvindingen voortzette onder de naam Australian Divers Spiro Pty. Ltd. Ted Eldred werkte nog even voor de firma, maar trok zich niet veel later toch ontgoocheld terug en liet zich nooit meer met duiken in.

Professionals en zij die daar graag op willen lijken

Tegen het eind van de jaren zestig was de tweeslangsautomaat geheel verdwenen uit de uitrusting van de sportduiker. Ted Eldred’s ontwerp had alles veranderd. Nu begonnen ook de beroepsduikers te vragen naar lichtere vraaggestuurde ademapparatuur, want het standaardpak met de koperen helm kon na zo’n 130 jaar trouwe dienst toch niet meer meekomen. Het was tijd voor iets nieuws en overal werd met nieuwe ideeën geëxperimenteerd.

Er zijn twee pioniers die met kop en schouder boven alles en iedereen uitsteken: Bob Kirby en Beverly Morgan. Voor ze in 1966 een formeel bedrijf startten hadden zij samen al helmen en bandmaskers gebouwd die snel iconisch voor het beroep van duiker werden.

Een opvallend details was een grote draaiknop, links aan de automaat. Dat was een noodzakelijk onderdeel omdat de duikers met deze uitrusting vaak met oppervlaktelucht doken. In die tijd konden ze die nog niet hydrostatisch op de juiste druk afregelen en de duiker had die knop dus hard nodig om al te grote afwijkingen te compenseren. Hij kon de automaat zelfs helemaal opendraaien en zelfs laten free-flowen want in zijn binnenmasker kon hij gewoon zijn mond dicht houden en werd hij niet volgeblazen.

Geen grotere amateur dan wie heel nodig “semi professional” wil lijken en de marketingafdeling van de fabrikant had dat heel gauw door.

Binnen de kortste keren hadden alle automaten ook zo’n interessant knopje. Vaak zelfs twee! Wat de enthousiaste duiker niet wist en zich ook niet afvroeg was waar het eigenlijk voor diende. 

Uh, iets met compensatie voor een onstabiele middendruk, waar gaat dat over?

De middendruk werd toch door de eerste trap van je automaat op de juiste waarde gehouden? Tenzij die defect was, natuurlijk. En dan moest je er helemaal niet mee duiken. Maar je kon er onderwater zo leuk aan frunniken en dat gaf je het veilige gevoel dat je ergens volledige controle over had.

 

Maar de eigenlijke vraag is natuurlijk:

“Waarom zou je het meest vitale onderdeel van je uitrusting af willen knijpen en de toevoer van je ademlucht minder dan optimaal laten functioneren?”

Kan het nóg professioneler?

Ja, de Amerikaanse marine had behoefte aan een automaat voor extreem koud water en Apeks beantwoordde die vraag met hun model MTX-R. Het ontwerp sluit mooi aan bij hun eerdere modellen, maar kijk nog even goed: het huis is aan de linkerkant keurig afgedopt en nee, er zitten nu helemaal geen instelknopjes meer op.

 

HES van Schoonhoven, 1 juni 2022

Potvis uitje Neeltje Jans

Voor zondag 24 april had de evenementen commissie een uitje bij Neeltje Jans georganiseerd. We verzamelden rond 11 uur bij het evenementen gebouw. Zowaar was iedereen op tijd en de groep van pakweg 20 personen compleet.

Allereerst gingen we de dam zelf bezoeken. De totale dam is 9 km lang waarvan 3 km afsluitbaar is. Deze 3 km bestaat uit 62 afsluitbare schuiven die bij een waterstand van 3 meter boven NAP dicht gaan. Gemiddeld gebeurt dit 1 maal per jaar. Onder het wegdek zijn gangen en ruimtes. Een deel hiervan is als expositie ruimte ingericht en natuurlijk zijn er ook ruimtes voor de techniek/ besturing. Via de gangen en een loopbrug kon je naar de eerst pijler lopen (zie foto). Aan het snelstromende water, wat onder de pijler stroomde was goed te zien wat de kracht van het water is.

Hierna splitste de groep zich. Een deel kwam bij de Orkaanmachine uit. In een windtunnel staat een grote ventilator die tot 144 km/h kan blazen. Voordat je in de ruimte mocht moest je alles afgeven wat los zat en kreeg je een veiligheidsbril op. Zelf vond ik de windkracht die op je losgelaten werd wel meevallen.

Weer verder lopend over het park pikte we nog net de laatste minuten van de zeeleeuwen show mee. Hierna was het tijd voor de inwendige mens. Na de nodige patatjes, kroketten, saucijzenbroodje en drankjes was het tijd om naar de zeehondenshow te gaan. Er zijn op het moment twee zeehonden. Eén deed voor wat lekkers aardig zijn best om zijn kunstjes te laten zien maar de andere die nog een stuk jonger is hield het snel voor gezien en trok zijn eigen plan.

Om 2 uur werden we bij Bleu Reef Aquarium verwacht. Hier splitste de groep zich in tweeën. De ene groep kreeg uitleg bij het aquarium en de andere groep ging achter de schermen bij de kweekbakken kijken. Na een klein half uur wisselde de groepen. Bij de kweekbakken waren roggen, kleine kathaaitjes en eieren van de kathaaien te zien. Het kan wel 9 maanden duren voordat zo’n kathaai ei uit komt. Het aquarium bestaat uit 300.000 liter verward Oosterschelde water. Er zwemmen o.a. tropische haaien zoals de witpuntrifhaai, zwartpuntrifhaai, luipaardhaai, clownsvis, murene enz. Er is ook een kleiner aquarium waar o.a. kleine haaitjes en roggen in zwemmen die je kan en mag aanraken. Dat was toch wel een apart gevoel om een rogje te kietelen.

We hadden niet heel veel tijd voor het aquarium omdat we om 3 uur bij de rondvaartboot moesten zijn wilden we met de rondvaart van pakweg driekwartier mee. In eerste instantie was het niet zeker of de rondvaart voor ons door zou gaan omdat de boottocht bijna gelijk met ons bezoek aan het aquarium zou zijn. De rondvaart ging over de Oosterschelde en voor een deel langs de dam. Het zonnetje scheen en er stond aardig wat wind maar daar was niet veel van te merken op zo’n groot schip. Kortom even lekker uitwaaien.

Als laatste bezochten we “Delta Experience”. Dit is een
4D animatie over hoe het er in de nacht van 31 januari op 1 februari 1953 aan
toe ging tijdens de watersnoodramp. Het is een fictief verzonnen verhaal wat zo
maar waargebeurd kan zijn.

Hierna ging iedereen weer zijn eigen weg met een gezond
kleurtje en een leuke herinnering rijker.

Bert van Ommen

Out with the old and in with the new!

De algemene ledenvergadering staat weer voor de deur. Maandag 21 maart 2022 kijkt de Potvis terug op het afgelopen jaar en met nieuwe moed wordt er gesproken over de plannen voor komend jaar!
2021 was een gepuzzel. Cursisten toch de gelegenheid geven om hun brevet in dat jaar te kunnen halen en evenementen organiseren om de leden van de vereniging toch verbonden te houden in tijden dat het zwembad bijvoorbeeld gesloten was.
Alle commissies hebben hard gewerkt om zoveel mogelijk, op een veilige manier toch door te kunnen laten gaan.

De evenementencommissie heeft een aantal evenementen op een veilige manier kunnen organiseren. In april 2021 heeft er een leuke autopuzzeltocht plaatsgevonden. Iedereen kon met zijn/haar eigen gezin in de auto aan de tocht meedoen. Er waren snackzakjes gemaakt voor in de auto en bij de finish stond ook iets lekkers voor de deelnemers te wachten. Gelukkig kon in juli 2021 de familieavond om het zwembadseizoen af te sluiten, met wat kleine aanpassingen gewoon doorgaan. Er heeft een gezellige lunch buiten plaatsgevonden na een duik georganiseerd door een cursist die zijn 3*-opleiding daarmee afrondde. Als laatste is er een aantal Potvissen naar de Duiktoren in Enschede geweest. Het was een flink eind rijden, maar het was een mooie duik in de stijl van een cenote.

Voor 2022 staan er ons alweer leuke evenementen te wachten, namelijk:

  • Freedive clinic
  • Rondleiding Blue Reef Neeltje Jans
  • Rondleiding Fort Rammekes
  • Een duik tussen de mosselen
  • Beachcleaning

In 2021 hebben er helaas geen specialisaties of andere speciale praktijkdagen kunnen plaatsvinden. Wel zijn er vorig jaar 1*, 2* en 3* – opleiding georganiseerd en meerdere cursisten hebben ook hun brevet kunnen behalen.

De BRAINS clinic kon ook doorgaan vorig jaar en was wederom een groot succes.

In 2022 hoopt de trainerscommissie alle opleidingen te kunnen hervatten. Ook worden er minimaal vier specialisaties aangeboden. De specialisatie Grotduik technieken in open water is er bijvoorbeeld een van.

De mediacommissie had door alle omstandigheden iets minder materiaal om mee te werken. Maar er zijn toch meerdere edities van de CRAP uitgekomen afgelopen jaar. En op social media werden ook nog voldoende berichten geplaatst.

Aankomend jaar zal er meer aandacht besteed worden aan reclame maken in bijvoorbeeld plaatselijke kranten om nog meer mensen kennis te laten maken met onze vereniging. 

We hopen er een mooi jaar van te kunnen maken!

Tot maandag!

Traditie geboren

Wanneer wordt een gebeurtenis een traditie? Volgens Wikipedia is het een gebruik of gewoonte die van de ene generatie op de andere wordt doorgegeven. Wij bij de Potvis willen echter geen generaties wachten en introduceren na twee opeenvolgende jaren een nieuwe traditie: een duik in de Zevenhuizerplas op oudejaarsdag en daarna (of alleen) oliebollen en warme chocomelk met slagroom.

Dit jaar werd er op oudejaarsdag een warmterecord gebroken, maar dat was boven water. Iets minder warm was het onder water, maar desondanks waren er 3 Potvissen die deze koude trotseerden; Paul, Rogier en Nicolette (in droogpak uiteraard). Maar de aller stoerste was Mieke die gewoon in een badpak de plas in liep! Vanaf de kant werden ze aangemoedigd door toch zeker 12 – 14 Potvissen (en aanhang) die direct richting oliebollen en appelflappen bewogen zodra de drie duikers onder de waterspiegel verdwenen.

Het duurde niet lang of de duikers kwamen weer boven. Vanaf de kant hadden we al heel veel luchtbellen waargenomen en dat bleek te kloppen. Paul wilde, als een kwajongen, de afgezonken kano van lucht voorzien om deze op te laten stijgen waarna zijn automaat bleef blazen. Einde oefening.

Volgend jaar weer? Zeker! Het was gezellig om elkaar weer te zien en bij te kletsen over van alles en nog wat. En niet te vergeten de lekkere oliebollen, appelbeignets, chocomelk en koffie die Mieke en Louis hadden meegenomen. Dank en Louis sterkte met jouw heup. Hopelijk word je snel geholpen.